Van Zon Quint Advocaten

Gerechtshof veroordeelt advocaat tot 3 maanden cel

16 april 2026 - By Yannick Quint - Blog

Gerechtshof veroordeelt advocaat tot 3 maanden cel

 

Schending beroepsgeheim

Op 15 april 2026 heeft het gerechtshof Den Bosch uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een Rotterdamse advocaat. De advocaat was in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 5 maanden waarvan 2 voorwaardelijk op. Het verwijt dat hem wordt gemaakt is dat hij opzettelijk zijn beroepsgeheim en wettelijke geheimhoudingsplicht ex art 272 SR heeft geschonden.

Beperkingen

De casus is als volgt. De advocaat kreeg een voorkeursmelding van een client verdacht van overtreding van de Opiumwet. In dat verband waren alle beperkingen opgelegd wat betekent dat er geen enkel contact met de buitenwereld mag plaatsvinden. Er mag geen informatie worden verstrekt over de aanhouding, de verdenking of de inhoud van een dossier en/of afgelegde verklaringen.

Encrochat

De advocaat stond zijn client vanuit zijn kantoor telefonisch bij tijdens het verhoor door de politie. Uit gegevens van een PGP telefoon (Encrochat) blijkt dat een derde op het kantoor van de advocaat aanwezig was tijdens dit verhoor. De derde stuurt berichten als “verhoor is nog bezig”, “verdachte is kk lauw” en “zat bij advocaat en heb hem 500 gegeven”.

Geheimhoudingsplicht advocaat

Het hof heeft op basis van deze berichten vastgesteld dat de derde meeluisterde met het verhoor. Het hof weegt mee dat de advocaat zijn telefoon op mute heeft gezet en dat hij vroeg aan de politie of zijn client harder kon praten. Op deze wijze kreeg de derde informatie over waar doorzoekingen hadden plaatsgevonden, hoeveel geld er in beslag was genomen en dat de politie nog een verdachte zocht.  Deze moest worden ingeseind omdat er bij diegene nog ketels stonden. Het hof overweegt dat de advocaat “cruciale en zeer gevoelige opsporingsinformatie” uit het onderzoek heeft gedeeld met anderen die daarbij een (crimineel) belang hadden. Het hof concludeert dat sprake is van opzettelijke schending van een geheim ex art 272 Sr. Op de advocaat rustte – gelet op art 10 van de Advocatenwet jo art 62 WvSv – een geheimhoudingsplicht aldus het hof.

Harde woorden hof

In het kader van de strafmaat is het hof snoeihard in zijn overwegingen. De advocaat heeft volgens het hof een faciliterende rol gespeeld bij het in stand houden van de georganiseerde drugscriminaliteit. Er is aldus het hof misbruik gemaakt van de gepriviligieerde positie als advocaat. Zijn integriteit is “op ernstige wijze” ondermijnd en daarmee zijn de pijlers van de rechtstaat “op grove wijze” geschaad. Het hof oordeelt dat de advocaat zich ten onrechte achter zijn verschoningsrecht heeft verscholen.

Tuchtrecht

Het hof gaat zelfs nog een stap verder met verwijzing naar de tuchtrechtelijke veroordeling door de Raad van Discipline (maatregel van schorsing van 52 weken waarvan 26 weken voorwaardelijk). Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de Raad dat dit een “onvergeeflijke fout” is geweest door als doorgeefluik te functioneren. Hij geeft hier een inkijkje in zijn gedachtengang en overweegt dat dergelijke fouten moeten leiden tot einde beroepsuitoefening. Schrapping van het tableau als advocaat heeft de Raad van Discipline deze advocaat bespaard. Het hof heeft in raadkamer kennelijk serieus overwogen of oplegging van de maatregel van ontzetting van het beroep van advocaat mogelijk is. Het hof concludeert dat hij niet zal kunnen overgaan tot deze maatregel omdat de wet daarvoor niet de mogelijkheid biedt. Wel legt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden.

Bijkomende straf beroepsverbod

In het wetboek van strafrecht wordt het onzetten van rechten, zoals het uitoefenen van een beroep, geregeld in art 28 lid 1 onder 5 WvSr. Het is een zogenoemde bijkomende straf als bedoeld in art 9 lid 1 onder b en onder 1 WvSr. Het beroepsverbod kan enkel worden opgelegd in bij de wet bepaalde gevallen. Dat betekent dat slechts bij specifieke (groepen van) delicten in het Wetboek van Strafrecht of in bijzondere strafwetten deze mogelijkheid bestaat. In art 272 WvSr is deze mogelijkheid niet expliciet geregeld zoals dat bijvoorbeeld bij bepaalde zedenfeiten wel het geval is (zie bijv art 254a Sr). Of in geval van opruiing (zie art 131 Sr jo art 137h Sr). Of bij een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie (zie art 152 lid 2 Sr). Wel geldt de voorwaarde dat die feiten zijn begaan in het beroep zelf.

 

Een link naar het vonnis van de rechtbank vindt u hier.

Een link naar het arrest van het hof vindt u hier.