Hoge Raad acht inzet criminele burgerinfiltrant toelaatbaar
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 juli 2024 geoordeeld over de rechtmatigheid van de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Hierbij is verwezen naar art 126w WvSv en de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden. Verder is aan de orde de vraag of gebruik is gemaakt van een zogenoemde “groei-infiltrant”. Op 10 februari 2026 heeft de Hoge Raad geoordeeld over deze zaak (onderzoek Vidar). Meer specifiek of de inzet van een criminele burgerinfiltrant rechtmatig is geweest. (ECLI:NL:HR:2026:178).
Van een criminele burgerinfiltrant is sprake wanneer de burger:
-
- Actief is in hetzelfde criminele veld (dit is in ieder geval de burger die dezelfde soort delicten pleegt als de organisatie waarin hij moet infiltreren);
- Binnen hetzelfde criminele milieu waarin hij verkeert, gaat infiltreren (dit is in ieder geval de burger die betrokken is bij het beramen of plegen van strafbare feiten binnen dezelfde criminele groepering waarin moet worden geïnfiltreerd);
- Een relevant strafrechtelijk verleden heeft ten aanzien van de gepleegde of nog te plegen misdrijven waartegen het onderzoek zich richt.
In cassatie is de vraag aan de orde gesteld of art 126w WvSv een wettelijke grondslag biedt voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Daarbij is gekeken naar de motie Recourt. Kortgezegd houdt deze motie in dat het algemeen verbod op de inzet van de criminele burgerinfiltrant is komen te vervallen. Het middel mag slechts in hoge uitzonderingsgevallen worden ingezet en onder strikte voorwaarden. Onder andere moet de inzet kortdurend zijn. Ook mag er geen sprake zijn van een groei-infiltrant. Tot slot moet zijn voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 10 februari 2026 dat art 126w WvSv een wettelijke grondslag biedt voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Hij oordeelt verder dat de feitenrechter niet hoeft te toetsen aan de aanvullende eisen die in de motie Recourt zijn gesteld. Ook heeft de Hoge Raad getoetst of het gerechtshof de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit voldoende heeft onderzocht. Tot slot is getoetst of de verslaglegging van de inzet van de criminele burgerinfiltrant aan de daartoe gestelde eisen voldoet. In verband met die verslaglegging heeft het hof gewezen naar de overwegingen van de HR over de Mr Big-methode. Het volgende is van belang:
Deze verslaglegging moet inzicht geven in het verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over de gehele periode waarin deze is ingezet, en in het bijzonder een voldoende nauwkeurige weergave van de interactie tussen de (‘criminele’) burgerinfiltrant en de verdachte omvatten
Het hof heeft tot slot overwogen dat in het onderzoek Vidar geen sprake is geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet. Volgens het hof is er sprake van een vormverzuim. De Hoge Raad volgt het hof in zijn conclusie dat aan dit vormverzuim geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden. De rol van de criminele burgerinfiltrant is immers beperkt gebleven tot een bijrol. Met de inzet daarvan is geen afbreuk gedaan aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.